Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR8538

Datum uitspraak2004-12-21
Datum gepubliceerd2004-12-31
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/28 WAO + 04/4891 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Berekening resterende verdiencapaciteit. Berekening mediane uurloon; aantal arbeidsplaatsen niet van belang.


Uitspraak

03/28+04/4891 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 25 november 2002, nummer AWB 01/623, waarnaar hierbij wordt verwezen. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 16 november 2004, waar appellant niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. P.J. van 't Hoff, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg. II. MOTIVERING Bij besluit van 2 februari 2001 heeft appellant ongegrond verklaard het bezwaar van gedaagde tegen een besluit van 30 augustus 2000, waarbij aan haar met ingang van 4 september 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzeke-ring (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, is toegekend. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant de belastbaarheid van gedaagde juist heeft vastgesteld. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat een van de door appellant voor gedaagde geselecteerde functies niet aan de schatting ten grondslag kan worden gelegd. Vervolgens heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak, waarin appellant met “verweerder” en gedaagde met “eiseres” is aangeduid het volgende overwogen: “De rechtbank is echter van oordeel dat de door de bezwaararbeidsdeskundige geselecteerde functie gastvrouw gemeentelijk museum (fb-code 5895) voor eiseres eveneens passend is te achten. Uitgaande van de functies telefonisch advertentie-verkoper (fb-code 4722), receptioniste/telefoniste (fb-code 3941) en gastvrouw gemeentelijk museum (fb-code 5895), is sprake van een theoretische verdiencapaciteit van f 18,07 per uur. Vergelijking van dit uurloon dat eiseres in de hierboven bedoelde functies zou kunnen verdienen, met het uurloon van f 36,17 dat zij had verdiend als zij niet arbeidsongeschikt was geworden geeft een verlies aan verdienvermogen te zien van 50%. Uit het vorengaande volgt dat verweerder bij het bestreden besluit de bij eiseres op en na 4 september 2000 bestaande mate van arbeidsongeschiktheid ten onrechte heeft vastgesteld op 25 tot 35%. Eiseres dient te worden ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Het beroep zal gegrond worden verklaard, het bestreden besluit zal worden vernietigd en verweerder zal een nieuw besluit dienen te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.” In hoger beroep heeft appellant onder meer het volgende aangevoerd: "Ondergetekende kan zich verenigen met het oordeel van de rechtbank dat aan de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van mevrouw [gedaagde] per 4 september 2000 ten onrechte de functie van bewaarder beveiligingsbeambte ten grondslag is gelegd. Ondergetekende kan zich echter niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat mevrouw [gedaagde] dient te worden ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%. Ondergetekende acht zich gebonden aan dit laatste oordeel van de rechtbank en stelt daarom hoger beroep in. Ondergetekende is, gelet op bijgevoegde rapportage van bezwaararbeidsdeskundige P.M.J. Kursten d.d. 28 november 2002, waarvan de inhoud hier wordt geacht te zijn ingevoegd, van oordeel dat het mediaanloon van de drie geduide functies waarop de verdiencapaciteit van mevrouw [gedaagde] dient te worden gebaseerd op f 20,63 per uur is te stellen. Dit leidt afgezet tegen het maatgevende loon ad f 36,17 per uur tot een verlies aan verdiencapaciteit van 42,96%, zodat indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45% dient plaats te vinden. Ondergetekende heeft zijn nader standpunt neergelegd in een nieuw besluit. Bijgaand wordt een afschrift gevoegd van het nieuwe besluit dat ondergetekende mevrouw [gedaagde] en haar gemachtigde heeft doen toekomen. Onder verwijzing naar het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzoekt ondergetekende uw Raad de nieuwe beslissing in de lopende procedure te betrekken. Ondergetekende verzoekt derhalve uw Raad de uitspraak, voorzover daarbij is overwogen dat mevrouw [gedaagde] dient te worden ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%, te vernietigen en het beroep voor zover dit geacht moet worden te zijn gericht tegen het bijgevoegde nieuwe besluit ongegrond te verklaren.” Onder dagtekening 30 januari 2003 is aan gedaagde ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit op bezwaar uitgereikt waarbij met ingang van 4 september 2000 de mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de WAO van gedaagde is vastgesteld op 35 tot 45%. Gedaagdes gemachtigde mr. Van 't Hoff heeft te kennen gegeven zich met het besluit van 30 januari 2003 niet te kunnen verenigen. Namens gedaagde heeft hij zich ter zitting van de Raad op het standpunt gesteld dat als resterende verdiencapaciteit het gemiddelde uurloon van fb-code 3941 moet worden gehanteerd en dat bedraagt naar zijn oordeel ƒ 19,60. De mate van arbeidsongeschiktheid dient dan, uitgaande van het op ƒ 36,17 gestelde maatmaninkomen, te worden vastgesteld op 45,8%, hetgeen leidt een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. De Raad overweegt als volgt. Aangezien met het hiervoor weergegeven besluit van 30 januari 2003, dat appellant ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft genomen, aan het beroep van gedaagde niet geheel tegemoet is gekomen, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid en 6:24 van de Awb dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit. Voorts stelt de Raad vast dat, mede gelet op hetgeen gedaagdes gemachtigde ter zitting daarover heeft verklaard, de medische aspecten van de onderhavige beoordeling, de selectie van de functies en de geschiktheid van gedaagde voor die functies in hoger beroep niet meer in geschil zijn. Het gaat in dit geding derhalve uitsluitend nog om de vraag of de rechtbank terecht in de aangevallen uitspraak heeft geoordeeld dat gedaagde met ingang van 4 september 2000 moet worden ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55% of dat appellant gedaagde terecht heeft ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%, zoals verwoord in het besluit op bezwaar van 30 januari 2003. Partijen zijn het erover eens dat de schatting in het onderhavige geval berust op 3 functiebestandscodes (fb-codes) die uit het Functie Informatiesysteem zijn geselecteerd, te weten: fb-code 4722 advertentie acquisiteur met een mediane uurloonwaarde van ƒ 24,04 en bestaande uit: 1a. telefonisch advertentieverkoper ƒ 24,04 per uur gedurende 24 uur per week met 4 arbeidsplaatsen; 1b. telefonisch advertentieverkoper ƒ 24,04 per uur gedurende 30 uur per week met 3 arbeidsplaatsen; 1c. verkooptelefonist ƒ 16,20 per uur gedurende 37 uur per week met 10 arbeidsplaatsen; fb-code 3941 receptionist met een mediane uurloonwaarde van ƒ 18,07 en bestaande uit: 2a. receptionist woningverhuur ƒ 24,95 per uur gedurende 18 uur per week met 2 arbeidsplaatsen; 2b. receptioniste/telefoniste ƒ 18,07 per uur gedurende 38 uur per week met 4 arbeidsplaatsen; 2c. receptioniste/telefoniste ƒ 18,07 per uur gedurende 30 uur per week met 3 arbeidsplaatsen; fb-code 5895 suppoost museum met een mediane uurloonwaarde van ƒ 20,63 en bestaande uit de functie gastheer/gastvrouw museum ƒ 20,63 per uur gedurende 36 uur per week met 11 arbeidsplaatsen. Appellant stelt zich op het standpunt dat de op een na hoogst beloonde functie die van suppoost museum is met een loonwaarde van ƒ 20,63 per uur en dat dit bedrag de resterende verdiencapaciteit van gedaagde is. Mr. Van 't Hoff stelt zich namens gedaagde op het standpunt dat de mediane uurloonwaarde van de fb-codes 4722 en 3941 onjuist is vastgesteld. Hij is van oordeel dat bij berekening daarvan uit moet worden gegaan van een gemiddeld uurloon, waarbij voor elk uurloon met elke arbeidsplaats waarbij dat uurloon voorkomt rekening dient te worden gehouden bij de berekening van het gemiddelde. Voor de fb-code 4722 leidt dit tot de berekening ((4 x 24,04) + (3 x 24,04) + (10 x 16,20)): 17 = 19,43 en voor de fb-code 3941 leidt dit tot de berekening ((4 x 18,07) + (3 x 18,07) + (2 x 24,95)): 9 = 19,60. Mr. Van 't Hoff stelt daarom dat de op een na hoogst beloonde functie die van receptionist is met een loonwaarde van ƒ 19,60 per uur. Afgezet tegen het, onbetwist, door appellant op ƒ 36,17 per gestelde maatmaninkomen levert dat een mate van arbeidsongeschiktheid van 45,8% op. De Raad verwerpt dit namens gedaagde ingenomen standpunt. In de door gedaagdes gemachtigde genoemde uitspraak van 3 februari 2004, LJN AO5192, gepubliceerd in USZ 2004/106, kan voor het standpunt dat bij een berekening van een mediane uurloonwaarde per fb-code rekening zou moeten worden gehouden met het aantal arbeidsplaatsen per functie met een bepaald uurloon, geen steun worden gevonden. Ook overigens kan voor dat standpunt, dat in feite erop neer komt dat het aantal arbeidsplaatsen in een voor een schatting gebruikte functie indirect de loonkundige berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid zou kunnen beïnvloeden, geen steun worden gevonden in de arbeidsongeschiktheidswetgeving, de op grond daarvan gegeven uitvoeringsvoorschriften en de jurisprudentie van de Raad. In het onderhavige geval is per fb-code het mediane uurloon bepaald aan de hand van de in die fb-code voorkomende reeks functies met uurlonen waarmee naar het oordeel van de Raad gedaagde niet tekort is gedaan hetgeen de Raad, gelet ook op de gebruikelijke systematiek van bepaling van de restverdiencapaciteit op basis van de mediane loonwaarde van de drie hoogst verlonende functies, rechtens niet onjuist voorkomt. Dit leidt tot de conclusie dat de resterende verdiencapaciteit in het onderhavige geval op ƒ 20,63 per uur moet worden gesteld Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen voor zover daarin is overwogen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van gedaagde op en na 4 september 2000 op 45 tot 55% dient te worden gesteld. Het vorenstaande leidt de Raad tevens tot de slotsom dat het beroep dat gedaagde geacht moet worden te hebben ingesteld tegen het besluit van 30 januari 2003 ongegrond moet worden verklaard. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarin is overwogen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van gedaagde op en na 4 september 2000 op 45 tot 55% dient te worden gesteld. Verklaart het beroep voor zover dit geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van 30 januari 2003 ongegrond. Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van H.H.M. Ho als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 december 2004. (get.) K.J.S. Spaas. (get.) H.H.M. Ho. MR